Het begint herfst te worden, de tijd van het jaar dat er veel spinnen zijn. Waar komen ze zo ineens vandaan? Ze waren er al, alleen vallen ze nu veel meer op. De meest opvallende spin, de Kruisspin, kan twee jaar oud worden. In het najaar worden de eitjes gelegd die in het voorjaar uitkomen. Pas het jaar daarna wordt de spin het grote beest dat opvallend midden in een web in de tuin hangt. Vrouwtjes worden pakweg twee keer zo groot als mannetjes, het verschil is op bovenstaande foto goed te zien. Er zijn (ook in Nederland) spinnensoorten waarbij het mannetje pas bij een vrouwtje in de buurt durft te komen als ze een prooi te pakken heeft. Na de paring moeten ze er als de wiedeweerga vandoor.

Er zijn veel soorten spinnen in Nederland, ongeveer 350. De 24 meest voorkomende soorten van huis en tuin staan op deze zoekkaart (4 MB). Een paar heb je vast wel eens gezien: een spin die ineens rond ging tollen in zijn web toen hij zich bedreigd voelde (grote trilspin). Of een zwart-wit gesptreepte springspin (zebra-wolfsspin).

Spinnen hebben een uitwendig skelet en moeten tijdens de groei regelmatig vervellen. Niet alle “dode” spinnen die je in huis vindt zijn dus dode spinnen, het kunnen ook vervellingshuidjes zijn.

Qua bouw zijn spinnen aparte dieren. Het zijn geen insecten, die hebben immers zes poten en spinnen hebben er acht. Spinnen hebben ook acht ogen. De vier donkere vlekjes midden op de kop zijn vier ogen. Wat verder opzij zitten aan beide zijden van de kop nog twee ogen. Hoe zouden ze de wereld zien?

Met de haren op hun poten kunnen ze voelen. Bij hun kaken zit een gifklier waarmee ze hun prooien verlammen. In het achterlijf zitten de spintepels waarmee ze spinrag maken. Stevig of zacht, kleverig of niet, net wat er nodig is. Spinrag is sterker dan staal en soepeler dan kevlardraad. Knappe koppen proberen het na te maken voor bijvoorbeeld kogelvrije vesten.

Eieren worden in een pakketje ingesponnen en ergens afgezet. Na de winter komen ze uit. De jonge spinnetjes hebben al wel een echte “spinnenbouw”, maar zien er qua kleur heel anders uit dan de volwassen spinnen. Mannetjes en vrouwtjes zijn nog even groot, in het 2e jaar groeien de vrouwtjes extra hard waardoor ze dan pas groter worden dan mannetjes. Als je ergens heel veel kleine spinnetjes bij elkaar vindt, dan is een kapsel met eitjes dus uitgekomen.

De eerste dagen blijven ze bij elkaar en leven van de dooier uit hun ei. Daarna klimmen ze naar een hoog punt, spinnen een zweefdraad en laten zich daarmee wegwaaien.

Een paar spinnen in huis is best handig: ze eten o.a. zilvervisjes. Bij massa’s spinnen en veel spinnenwebben kun je ze makkelijk buiten zetten: schuif er een breed limonadeglas overheen, schuif een ansichtkaart tussen glas en muur door en je hebt de spin gevangen. Buiten zal hij weer webben maken om vliegende insecten te vangen.

In gloednieuwe woonwijken bárst het soms van de spinnen: hun natuurlijke vijanden zijn er dan nog niet. Mezen eten enorm veel spinnen: ze speuren dagelijks dakranden en kieren af. Zodra er wat nestkastjes hangen en er voldoende groene tuinen zijn om de mezen jaarrond van voedsel te voorzien, is de spinnenplaag over.