Waarnemingen

Wat leeft er eigenlijk allemaal in de wijk? We weten het niet precies. Dat is erg jammer, omdat er dan niet goed rekening gehouden kan worden met alles wat er is.Daarom deze oproep: zet op waarneming.nl wat er allemaal in uw buurt leeft: van huismus tot fazant, egel of bever. (Ja, echt!) De handleiding staat hier: https://waarneming.nl/pages/getting-started/?

De recente waarnemingen van de wijk Vleuten-De Meern staan hier: Vleuten-De Meern

Van Leidsche Rijn staan ze hier: Leidsche Rijn

Van Lage Weide kunt u ze hier vinden: Lage Weide

Niet aaibaar – maar o zo belangrijk voor de grond

Niet aaibaar – maar o zo belangrijk voor de grond

Bodembeestjes als regenwormen en pissebedden horen niet tot de aaibare, populaire beestjes. Veel mensen vinden ze een beetje griezelig. Ze zijn wel heel belangrijk voor de bodem en voor je tuin.

Alle bodemdiertjes helpen met de afbraak van afgevallen blad, dode planten en beestjes en mest. Als je het afgevallen blad je tuin inschuift, zijn er regenwormen die het onder de grond trekken en het daar opeten. Samen met de pissebedden, oorwormen, mijten, springstaarten, aaltjes, schimmels en bacteriën en wat er verder zoal in de bodem leeft. Volgens een onderzoek uit 1950 leven er bijna 500 gram aan beestjes per m2 (waarvan 400 gram regenwormen) en meer dan 2 kg aan schimmels en bacteriën. Met elkaar eten ze de bovenste 30 cm van de bodem elk jaar op en poepen ze die ook weer uit. Daardoor wordt de grond ruller en kruimiger én houdt hij goed water vast. De voedingsstoffen uit de afgevallen bladeren komen zo vrij en kunnen weer door planten worden opgenomen.

We weten nog niet goed wát er precies in de bodem leeft. Sterker nog: als je wilt dat er een dier jouw naam krijgt als wetenschappelijke naam, kun je dat waarschijnlijk voor elkaar krijgen door alle beestjes in je tuin op naam te brengen. Waarschijnlijk zit er wel een soort bij die “we nog niet kenden”, die mag jij dan een naam geven. Helaas is dat op naam brengen van al dat grut wel een klusje. Op bodemdierendagen kun je een zoekkaart downloaden met de algemene soorten er op. Tot 15 oktober kun je nog doorgeven wat er leeft in je tuin: want het is echt slecht bekend wat er zoal in de grond leeft. Daarna kun je soorten melden op waarneming.nl.

Vooral regenwormen zijn erg goed voor de bodem. De pakweg 50 soorten regenwormen die in Nederland voorkomen zijn te verdelen in grofweg 3 typen: een type die vooral in de strooisellaag leeft, een type die net onder de grond leeft en horizontale gangen graaft en de “pendelaars”, die zowel boven de grond komen als diep de grond ingaan en daarbij verticale gangen graven. Alle wormen samen zorgen zo voor lucht in de grond en een goede waterafvoer. Onder grond waar plassen blijft staan leven geen wormen, de waterafvoer blijft daardoor ook slecht.

Wormen hebben een kop en een staart. Als je ze in tweeën hakt, ontstaan er geen twee wormen, dat is een fabeltje. Veel spitten is dus niet goed voor de grond. De grond knapt ook niet op als je er met zware machines overheen rijdt. Zelfs bij veel lopen over de grond wordt de bodem verdicht en kunnen de wormen er niet goed in leven. Daardoor verdwijnen de planten ook. Kijk maar naar olifantenpaadjes, ook als ze niet meer belopen worden duurt het jarenlang voor ze dichtgroeien.

Voor een mooie tuin zijn al die “enge beestjes” dus nodig. Voor de meeuwen, merels en egels ook, die verorberen er heel wat.

Eiken- en beukenblad is zelfs door al dat bodemleven niet goed te verteren, in die bossen komt een dikke laag blad te liggen. Onder Lindes en Esdoorns verteert het blad wel. Als je eens wilt zien hoe een bodem van zo’n bos er uit ziet waar jarenlang niet is gelopen of gespit, moet je naar het bosje gaan tussen de Daphne Schipperbrug en de Leidse Rijn (bij Nedal). De grond is hier zo luchtig dat hij veert. Rul, kruimig, zo ziet goede levende grond er uit. Het is te hopen dat de achteruitgang van de insecten niet opgaat voor het bodemleven. We kunnen niet zonder die belangrijke kleine beestjes.

Het groeit nog harder dan Leidsche Rijn – Paddenstoelen in de herfst

Het groeit nog harder dan Leidsche Rijn – Paddenstoelen in de herfst

Paddenstoelen zie je vooral bij warm en vochtig weer. De grond is nog warm van de afgelopen zomer, door de regen is de grond vochtig en hup! Ze schieten als paddenstoelen uit de grond.

Het grootste deel van de paddenstoelen zit onder de grond. Daar zit het mycelium of zwamvlok, die breekt dood materiaal af en komt zo aan energie en voeding. Er zijn naast grondgebonden soorten, ook soorten die leven op dood hout, zoals het Meniezwammetje (Oranje takschimmel). Daarnaast zijn er een paar soorten die zowel op dood hout als in de grond kunnen groeien, en soorten die bomen kunnen doden, zoals de Berkenzwam/Berkendoder. In de half vermolmde stammen kunnen spechten een nest uithakken.

Grondbewerkingen als ploegen en spitten of verdichting van de grond door er met zware machines overheen te rijden is funest voor paddenstoelen. Ook als het buiten de herfst gebeurt, want de zwamvlok wordt beschadigd.

Er zijn enorm veel soorten paddenstoelen en ze stellen allemaal andere eisen aan hun groeiplaats. De grondgebonden soorten leven in grond. De schimmeldraden maken vaak contact met de wortels van bomen. De bomen voorzien de schimmels van suiker (=energie). De schimmels halenn mineralen uit de grond en geven die terug aan de bomen. Zowel de bomen als de paddenstoelen kunnen daardoor beter groeien.

 

De paddenstoelen die dit doen zijn vaak gebonden aan bepaalde boomsoorten. Vliegenzwammen groeien daardoor vaak bij Berken in de buurt. Bij de Lindes bij de Kersentuin (langs de Vleutensebaan) staan nu paddenstoelen die ongetwijfeld aan Lindes gebonden zijn. In weilanden komen weer paddenstoelen voor die aan gras of koeienvlaaien gebonden zijn. Er is zelfs een ieniemienie paddenstoeltje dat leeft op afgevallen elzenkatjes.

De beste plekken om veel soorten paddenstoelen te vinden zijn oude bossen. Daar hebben zich in de loop der jaren veel soorten kunnen vestigen. Amelisweerd is erom beroemd, omdat dat een oud bos op klei is. Nagenoeg alle oude Nederlandse bossen staan op zandgrond. Paddenstoelen die van klei houden kunnen wel in Amelisweerd leven, maar niet op bijvoorbeeld de Veluwe.

Sommige paddenstoelen zijn eetbaar, andere zijn dodelijk, hallucinerend ziekmakend of braakopwekkend. Stop ze alleen in de pan als je kennis van zaken hebt. Er zijn in de herfst vaak paddenstoelenexcursie van bijvoorbeeld het IVN. Als je meegaat zie je er veel meer dan wanneer je allen wandelt. De gidsen kunnen er veel over vertellen.

Spinnen – Het wordt herfst, ze zijn er weer

Spinnen – Het wordt herfst, ze zijn er weer

Het begint herfst te worden, de tijd van het jaar dat er veel spinnen zijn. Waar komen ze zo ineens vandaan? Ze waren er al, alleen vallen ze nu veel meer op. De meest opvallende spin, de Kruisspin, kan twee jaar oud worden. In het najaar worden de eitjes gelegd die in het voorjaar uitkomen. Pas het jaar daarna wordt de spin het grote beest dat opvallend midden in een web in de tuin hangt. Vrouwtjes worden pakweg twee keer zo groot als mannetjes, het verschil is op bovenstaande foto goed te zien. Er zijn (ook in Nederland) spinnensoorten waarbij het mannetje pas bij een vrouwtje in de buurt durft te komen als ze een prooi te pakken heeft. Na de paring moeten ze er als de wiedeweerga vandoor.

Er zijn veel soorten spinnen in Nederland, ongeveer 350. De 24 meest voorkomende soorten van huis en tuin staan op deze zoekkaart (4 MB). Een paar heb je vast wel eens gezien: een spin die ineens rond ging tollen in zijn web toen hij zich bedreigd voelde (grote trilspin). Of een zwart-wit gesptreepte springspin (zebra-wolfsspin).

Spinnen hebben een uitwendig skelet en moeten tijdens de groei regelmatig vervellen. Niet alle “dode” spinnen die je in huis vindt zijn dus dode spinnen, het kunnen ook vervellingshuidjes zijn.

Qua bouw zijn spinnen aparte dieren. Het zijn geen insecten, die hebben immers zes poten en spinnen hebben er acht. Spinnen hebben ook acht ogen. De vier donkere vlekjes midden op de kop zijn vier ogen. Wat verder opzij zitten aan beide zijden van de kop nog twee ogen. Hoe zouden ze de wereld zien?

Met de haren op hun poten kunnen ze voelen. Bij hun kaken zit een gifklier waarmee ze hun prooien verlammen. In het achterlijf zitten de spintepels waarmee ze spinrag maken. Stevig of zacht, kleverig of niet, net wat er nodig is. Spinrag is sterker dan staal en soepeler dan kevlardraad. Knappe koppen proberen het na te maken voor bijvoorbeeld kogelvrije vesten.

Eieren worden in een pakketje ingesponnen en ergens afgezet. Na de winter komen ze uit. De jonge spinnetjes hebben al wel een echte “spinnenbouw”, maar zien er qua kleur heel anders uit dan de volwassen spinnen. Mannetjes en vrouwtjes zijn nog even groot, in het 2e jaar groeien de vrouwtjes extra hard waardoor ze dan pas groter worden dan mannetjes. Als je ergens heel veel kleine spinnetjes bij elkaar vindt, dan is een kapsel met eitjes dus uitgekomen.

De eerste dagen blijven ze bij elkaar en leven van de dooier uit hun ei. Daarna klimmen ze naar een hoog punt, spinnen een zweefdraad en laten zich daarmee wegwaaien.

Een paar spinnen in huis is best handig: ze eten o.a. zilvervisjes. Bij massa’s spinnen en veel spinnenwebben kun je ze makkelijk buiten zetten: schuif er een breed limonadeglas overheen, schuif een ansichtkaart tussen glas en muur door en je hebt de spin gevangen. Buiten zal hij weer webben maken om vliegende insecten te vangen.

In gloednieuwe woonwijken bárst het soms van de spinnen: hun natuurlijke vijanden zijn er dan nog niet. Mezen eten enorm veel spinnen: ze speuren dagelijks dakranden en kieren af. Zodra er wat nestkastjes hangen en er voldoende groene tuinen zijn om de mezen jaarrond van voedsel te voorzien, is de spinnenplaag over.

Musicerende spring-in-‘t-veld

Musicerende spring-in-‘t-veld

Met de warme zomeravonden van de laatste weken, hoor je overal in de wijk de sprinkhanen zingen. Bovenstaande foto is van de Grote groene sabelsprinkhaan. De grootste sprinkhaansoort in Nederland. Al met al zijn ze ongeveer 8 centimeter groot. Sprinkhanen en krekels horen bij de familie van de rechtvleugelige insecten.

De mannetjes zitten van het eind van de middag tot diep in de nacht te “zingen”. Dat doen ze door de voorvleugels langs elkaar te wrijven. Het geluid is best sterk en op 100 meter afstand hoorbaar en gaat achter elkaar door. Echt het geluid van een zwoele zomeravond. zie video op Youtube Ze hopen de vrouwtjes te lokken. Omdat ze vleugels hebben kunnen ze een stukje zweven, echt vliegen kunnen ze niet.

De dames zetten in september de eieren af in de grond of in spleten in boomschors.

In het voorjaar komen de jongen uit, die nimfen hebben dan nog geen vleugels en zien er daarom wat anders uit dan de volwassen dieren. Pas na een aantal vervellingen, rond eind juni, worden ze volwassen. Tot die tijd leven ze in lage begroeiing. Als er in die tijd gemaaid wordt is dat funest. Je hoort het zingen van de krekels daarom vooral in wat hogere vegetatie, waar sinds mei niet meer is gemaaid.

Deze sabelsprinkhaan eet vooral insecten. Er zijn ook andere krekels en sprinkhanen, die vooral plantaardig materiaal eten. Sommige soorten zijn heel klein, pakweg een centimeter. Als je door gras loopt, springen ze net voor je voeten weg. De Engelse naam grasshopper is dan zeer toepasselijk.

Dit is de “krekel” uit de vertelling over de krekel en de mier. De krekel die de hele zomer zat te zingen en de mier die hem waarschuwde dat hij voorraden voor de winter aan moest leggen. Toen de winter kwam, klopte de krekel bij de mier aan om eten. “Nee, ik heb je toch gezegd dat je voorraden aan moest leggen? Ik heb alleen genoeg voor mezelf, ik kan je niets geven.” Aldus verhongerde de krekel. De moraal van dit nare verhaal? De mier is ondertussen ook dood en heeft haar leven lang nooit gekrekeld.

Tuinvlindertelling dit jaar extra lang

Tuinvlindertelling dit jaar extra lang

Doordat het zomerweer van jaar tot jaar sterk wisselt, heeft de vlinderstichting besloten om de tuinvlindertelling dit jaar tot 28 juli te laten duren. Als je op een mooie dag vlinders in je tuin ziet, kun je ze bijna de hele maand juli nog doorgeven. https://www.vlinderstichting.nl/vlindermee/hoe-werkt-het

In juni hebben veel mensen distelvlinders in hun tuin gehad: er was een ware invasie van distelvlinders. Geloof het of niet, ze komen uit de Sahel en zijn daarna (in een paar generaties) teruggevlogen om hier eieren af te zetten. Op distels inderdaad, maar ook op de Kaardebol die volop in het Máximapark staat, en op kaasjeskruid. https://www.vlinderstichting.nl/actueel/nieuws/nieuwsbericht/wordt-2019-een-topjaar-voor-de-distelvlinder

Maar distelvlinders zie je op dit moment niet: de binnengevlogen oude beestjes zijn dood, hun kroost zit nu in de rupsenfase. Andere vlinders zijn er nu volop en bij mooi weer goed te zien op nectarplanten.

Heb je nectarplanten in je tuin maar komen er geen vlinders? Kijk dan eens rond in de omgeving of er planten voor de rupsen zijn. Wie van vlinders houdt moet rupsen immers voor lief nemen. https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/tuinieren-voor-vlinders/planten-voor-rupsen

Brandnetels zijn echt top-planten voor veel rupsen. Ze maken een kokertje van het blad waar ze zich in verstoppen. https://twitter.com/NathalieNatuur/status/1150410065167507458 Daarna eten ze het kokertje van binnenuit leeg en verhuizen naar een volgend blaadje.  Niemand wil brandnetels in zijn tuin, want het zijn vervelende planten om aan te raken. Er zijn echter wel mensen die ze in een grote pot op de tegels hebben staan, zodat de brandnetels zich niet uit kunnen breiden, maar wel beschikbaar zijn voor de rupsen. Als er een hoekje brandnetels in het park staat: vraag niet te gauw of de gemeente de brandnetels wegmaait. Ze zijn het hele groeiseizoen nodig als rupsenvoer.

Ook de vuilboom https://nl.wikipedia.org/wiki/Vuilboom is goed voor rupsen. Het is een onopvallende struik die zo weinig sierwaarde heeft dat tuincentra hem amper verkopen. De jeu zijn de vlinders die hij oplevert. Ze staan o.a. rond de ijsbaan in het Kloosterpark in De Meern, als je hem in je tuin wilt kun je hem zaaien.

 

Volop zomer – zwaluwen horen erbij!

Volop zomer – zwaluwen horen erbij!

Er is wenig wat zo zomers klinkt als zwaluwen die al gierend door de lucht zoeven. Sinds 2017 kun je het ook in Leidsche Rijn horen. De gierzwaluwen maken het gierende geluid namelijk alleen als ze vlabij hun nest op insecten aan het jagen zijn. Bij de Kersentuin, (tussen de Parkzichtlaan en Máximus brouwerij) is een gierwaluwnestkast bewoond.  Hier staat een foto van de nestlocatie Als er op meer plekken in de wijk nestkasten zouden hangen, zou het kunnen dat we dit zomerse geluid vaker gaan horen. Of misschien zijn er al meer bewoonde nestkasten? Geef dat door op waarneming.nl of twitter het naar Gitty Korsuize, de @stadsecoloog030!

Gierzwaluwen worden ook wel de 100-dagen vogel genoemd. 100 Dagen nadat ze terug zijn gekomen van hun winterverblijf hebben ze hun jongen groot en vertrekken weer.  Ze vliegen jaarrond door, alleen als ze broeden hebben ze vaste grond onder hun (zwakke) pootjes.  Ook slapen doen ze vliegend: ze vliegen flink omhoog en vallen in slaap. Ruim voor ze de grond bereiken is het weer ochtend en worden ze wakker.

As het ’s zomers slecht weer is hoor je ze niet: ze vliegen dan naar een gebied met op dat moment beter weer, Engeland bijvoorbeeld. De jongen kunnen 24 uur zonder eten. In een zomer met wekenlang aaneengesloten regen komt er van het broedsel weinig terecht.

Eind juli worden de nestplekken in Utrecht geïnventariseerd door vrijwilligers. Altijd met mooi weer. Waar vliegen gierzwaluwen? Waar gieren ze? Zijn de nesten te vinden? Ze broeden in gebouwen, maar als een dak wordt geïsoleerd kan het zijn dat de nestplek onbriuikbaar wordt. Daarom is het belangrijk om te weten waar ze broeden. Er moeten bij bouwkundige ingrepen (liefst meerdere) alternatieve nestplekken in de buurt zijn.

Rietvogeltjes

Rietvogeltjes

Langs veel sloten in Leidsche Rijn en Vleuten de Meern staan forse rietkragen. Deze helpen het water schoon te houden. De planten gebruiken veel voedingsstoffen om te groeien, waardoor het water minder voedselrijk wordt. Er zit in Nederland veel stikstof (ammoniak en nitraten) in de lucht, met regen valt dit op de gond en in het water. Er valt momenteel meer stikstof uit  de lucht, dan er een eeuw geleden door de Landbouwvoorlichtingsdienst werd geadviseerd als bemesting. Als riet wordt gemaaid, wordt een deel van de overdaad aan voedingsstoffen afgevoerd.

Gelukkig is het ook beleid om eenderde deel van de rietkragen níet te maaien. Er zijn veel vogels die broeden in rietkragen. De Kleine karekiet, hierboven op de foto, is de minst veeleisende. Er is maar een klein stukje riet nodig, of hij kan er zijn nest maken. Dat lukt alleen in oud riet, de jonge groene scheuten zijn te slap, het nestje zou bij wind en regen op de grond belanden.  Op veel plaatsen in de wijk kun je hem nu horen zingen, al heeft de zang veel weg van krassen: https://www.youtube.com/watch?v=uenmq_BJXxg

Op andere plekken met meer oud riet en ook wat struiken en boompjes komen ook andere rietvogels voor. In de rietkragen ten noorden van Key West zitten blauwborsten. Die hebben serieus zo’n blauwe borst en ze zingen ook mooi: https://www.youtube.com/watch?v=smGihazGEGA

Daarnaast zijn er nog veel andere vogels die in rietkragen voor kunnen komen: rietgors, grote karekiet, rietzanger, …. Als rietkragen goed ontwikkeld zijn en er in de omgeving voldoende boomjes en struiken staan (en er geen honden loslopen) kan het een waar genoegen zijn om er te luisteren naar het gezang, gekras, getik en gepiep van al die vogels. In riet zitten veel insecten waarmee ze hun jongen kunnen voeren. De meeste vogels die in het riet broeden zijn trekvogels, een enkeling (het baardmannetje bijvoorbeeld) blijft hier. Maar het is zeer onwaarschijnlijk dat díe in de wijk te vinden is, want hij is zeldzaam.

Rietvogels krijg je niet makkelijk te zien: het zijn overwegend “kleine bruine vogeltjes” die zich graag goed verstoppen.

Maar wegens de zang en levendigheid die ze meebrengen is het fijn dat er zoveel oud riet langs de sloten staat.

Van de wal in de sloot – Over kikkers en padden zo

Van de wal in de sloot – Over kikkers en padden zo

Leidsche Rijn heeft veel sloten, zodat bij een fikse bui het water weg kan lopen de sloten in. Het watersysteem heeft behoorlijk schoon water. Dat kun je zien omdat er geen kroosdek op ligt. Als er veel mest in het water zit, is de hoeveelheid licht beperkend voor de plantengroei, dan ontstaat een kroosdek. Bij schoon water zijn er ondergedoken waterplanten, die uit de hele waterlaag de voedingsstoffen op kunnen nemen.

Die planten worden gegeten en dienen als huisvesting voor de beestjes in de sloten. Slakjes, kreeftjes, watervlooien, muggen- en libellenlarven, er zitten allerlei kleine beestjes in het water. Het IVN gaat op 8 juni bij het theehuis in park Oog in Al en 16 juni bij tuinenpark De Pioniers in Overvecht “slootje prutten”, op zoek naar die kleine beestjes. (opgeven via stadsnatuur@hotmail.com)

Al die kleine beestjes zijn weer voedsel voor de wat grotere dieren. Vooral van muggenlarven is het voor ons fijn dat ze worden opgegeten. Welke dieren zitten er zoal, behalve vissen?

Om te beginnen kikkers natuurlijk. Je hoort ze nu volop kwaken. (En nee, dat zijn geen brulkikkers, al laten ze zich flink horen) Als ZIJ met haar mooie ogen nu verliefd wordt op HEM met zijn mooie blaaskaken, dan kunnen ze samen kikkerdril afzetten. Na een paar weken komen die eitjes uit en zwemmen de kikkervisjes rond. In de loop van het jaar worden dat volgroeide kikkers. Ze overwinteren onder in de sloot. Er zijn bruine kikkers en diverse soorten groene kikkers, die ook voor specialisten soms lastig uit elkaar te houden zijn. Heikikkers komen voor in Rijnenburg.

Daarnaast zijn er padden. Ze zijn goed te onderscheiden van kikkers: ze zijn lelijk en hebben een wrattig vel. In maart, zodra de vorst weg is, trekken padden uit hun droge overwinteringsplekken naar de sloten toe. Vrijwilligers helpen ze met oversteken van gevaarlijke wegen, oook in onze wijken. Ze paren direct en zetten daarna eisnoeren af, dus geen klonten dril. Zodra de jonge padjes het “donderkopjes-stadium” hebben gehad trekken ze massaal het water uit en de wijde wereld in. Dan lopen er soms honderden kleine slanke donkerbruine padjes door de wijk, dat verschijnsel heet “paddenregen”. Eerdaags is het er weer tijd voor. Die padjes doen vervolgens hun best om zich in de zomer dik en rond te eten aan de insecten, bijvoorbeeld in je tuin. In het najaar zoeken ze een overwinteringsplek.

In de sloten en vijvers in de wijk zitten ook wat salamanders. Mooie beestjes! De mannetjes hebben in de voortplantingstijd (april-mei) een kam op hun rug. De eitjes worden afgezet op waterplanten. Heb je een vijver, zet er dan ’s avonds eens een zaklantaarn op om te kijken wat er rondzwemt.

Het laatste dier wat we hier noemen is de ringslang, een reptiel. Die is ongevaarlijk voor mensen, ze bijten zelfs niet als ze gevangen worden. (Ze smeren belagers desnoods wel vol met hun stinkende poep) Een volwassen dier ziet er vervaarlijk uit: meer dan een meter lang, zo dik als je pols. Ze zijn meestal goed herkenbaar aan de gele ring achter hun kop. Er is al een enkele waarneming bekend uit de wijk (een in Vleuterweide en een uit Terwijde), maar daar blijft het tot nu toe bij. Ringslangen zetten hun eieren niet af in de sloot, maar in broedhopen, waar ze door de warmte van het rottingsproces worden uitgebroed. Bij Haarzuilens en in het Máximapark zijn van die hopen aangelegd, maar er zijn nog geen eierschalen gevonden. Dus ook nog geen jonkies, die zijn zo groot als een potlood.  Ringslangen eten o.a. padden en kikkers, zodra ze zich hier vestigen zal het aantal padden en kikkers wat afnemen. Dan zijn er ook meer broedhopen nodig dan de enkele die er nu is. Ringslangen zitten graag te zonnen op een dijkje of onder een (veilige) braamstruik. Ze hebben water nodig, maar gaan dus ook het land op.

Heb je kikkers, padden, salamanders of, wie weet, een ringslang gezien (of gehoord)? Zet het op waarneming.nl. Dat helpt voor het beheer en de bescherming. Meer informatie over deze en andere soorten amfibieën, reptielen en vis staat bij Ravon. Dat is een kennisorganisatie die zich richt op deze dieren.

Bloeiende bermen

Bloeiende bermen

Leidsche Rijn en Vleuten De Meern zijn groene wijken. Een behoorlijk aandeel van dat groen wordt gevormd door bermen. Als er veel verschillende bloeiende planten in staan is dat niet alleen een lust voor het oog. Allerhande insecten vinden er nectar, stuifmeel of andere eetbare zaken. Vogels vinden er insecten om hun jongen mee te voeren.

Bloeiende bermen zijn zo belangrijk voor vlinders, dat Floron (een club die inventariseert wat er groeit aan planten) en de Vlinderstichting samen een meerjarig project zijn begonnen: “Mijn berm bloeit”. Ze vragen vrijwilligers om op een standaard-manier natuurlijke (niet ingezaaide) bermen te inventariseren op bloemplanten. Er is een handige zoekkaart gemaakt van de belangrijkste nectarplanten. Ook als je niets weet van wilde planten kun je met deze kaart al veel planten op naam brengen. In het project kijk je 10 keer naar 1 m2 berm wat er bloeit. Op de site van de Vlinderstichting staat hoe je je resultaten kunt vergelijken met andere bermen. Je ziet dan direct hoeveel nectar “jouw” berm heeft.

Het project is vooral voor bermen buiten de bebouwde kom, maar veel wegen in Leidsche Rijn worden beheerd als bermen buiten de bebouwde kom. De Rijksstraatweg bijvoorbeeld of de Enghlaan, ze worden een of tweemaal per jaar gemaaid en zijn niet ingezaaid. Het is een goede manier om te kijken of bermen in jouw buurt rijk zijn aan nectar. Zie je er ook vlinders of hommels?

Wil je op een nog makkelijker manier kennis maken met bloeiende planten, insecten, vogels enzo? Op zondag 26 mei, tijdens de dag van het (Máxima-)park, kun je tussen 10 en 16 uur mee met mensen die veel van planten, vogels en insecten weten. We proberen die dag, de 501 soortendag  501 soorten planten en dieren te vinden. Of meer natuurlijk, hoe meer ogen, hoe meer we zien.

’s Morgens wordt vooral naar planten en vogels gekeken, ’s middags, als het warmer is, kijken we ook naar de insecten. Als je een uurtje meegaat, steek je  al veel op over planten of dieren. Voor de lunch moet je je aanmelden, met de excursies kun je zo mee. Welkom!

 

Stekelige bezoekers – Zeer gewenst!

Stekelige bezoekers – Zeer gewenst!

Op hun korte pootjes kunnen ze verbazingwekkend hard lopen en ze lopen ’s nachts ook heel wat af: een paar kilometer per nacht. Ze kunnen goed zwemmen en ze zijn best luidruchtig. Op een gebied ter grootte van een vierkante kilometer (een oppervlakte zo groot als het oude de Meern) kunnen 2 tot 10 egels leven. Ze kunnen door een gaatje van 15*15 cm. Als je egels in je tuin wilt, moet je zorgen voor zo’n gaatje onderin de schutting.

Ze eten insecten, wormen, slakken (met huisje en al) eieren, paddestoeen, kleine muizen en jonge vogeltjes, bessen, eigenlijk alles wat ze tegenkomen en eetbaar lijkt. Ze laten als dank voor de slakken egelpoepjes achter: zwarte keutels van 3-4 cm lang. In het Natuurmuseum in Rotterdam ligt de opgezette McFlurry-egel, die zijn kop wel in de beker kreeg maar hem er door de stekels niet meer uit kon halen en stierf door verhongering. Net als alle andere zoogdieren (behalve de mens) kunnen ze overigens niet tegen lactose: ze worden  ziek van melk. Er is speicaal egelvoer te koop dat katten niet eten (eksters wel). Een gevarieerde tuin met slakken, inecten en schuilgelegenheid is beter dan een tegeltuin met een bakje voer.

Ze slapen, overwinteren en werpen hun jongen in goed verstopte nesten van bladeren en mos onder braamstruiken, een heg of takkenhopen, liefst naast een muur of schutting. Toch blijft het fijn als honden aangelijnd zijn, zeker voor jonge egels. Jonge egels overwinteren de eerste winter samen in het nest waarin ze geboren zijn. Egels kunnen een jaar of 10 oud worden. In mei zijn ze op vrijersvoeten, de jongen worden in juni geboren. voor wie alles wil weten heeft de Zoogdiervereniging een inormatieve pagina gemaakt: https://www.zoogdiervereniging.nl/egel

In elk roze vakje zijn de afgelopen 5 jaar 1 – 19 egels gemeld op waarneming.nl. In de rode vakjes 20 of meer. In Leidsche Rijn en Vleuten De Meern zijn, in tegenstelling tot de oude stad, maar weinig meldingen van egels te vinden op waarneming.nl. Zijn ze er wel? Zelfs in de Buitenhof en het Geluidswalpark zijn ze niet bekend. Zijn er te weinig verstopplekken? Teveel loslopende honden?

Ziet u een egel, zet hem op waarneming.nl, ook als u het een verkeersslachtoffer is. Het draagt bij aan de mogelijkheden voor bescherming.

De gebruiksaanwijzing van waarneming.nl staat hier

Egels rollen zich op bij gevaar en worden daardoor vaak verkeersslachtoffer. De zoogdiervereniging heeft 2019 uitgeroepen tot het jaar van de Egel. In 2019 willen ze onderzoeken hoe het gaat emt de Egels in Nederland. In 2009 was het laatste onderzoek. In 2009 vonden ze 45 dode egels per 100 km, in de jaren 80 vonden ze 100 egels per 100 km. Dat is een aanwijzing dat er minder egels zijn. Heeft die daling zich voortgezet?

Voor het onderzoek in 2019 zijn ze op zoek naar forenzen die tussen 1 mei 2019 en 1 mei 2020 en verkeersslachtoffers langs de weg willen tellen, met de fiets of met de auto.  Meer informatie op: platte-egels-tellen-voor-egelonderzoek

Save the date: 26 mei is het 501 soortendag in het Máximapark.

Dé gelegenheid als je meer te weten wilt komen over natuur in de wijk en het park!